Er is recent meer aandacht voor voedsel. Met name gaat het over gezond voedsel en over de relatie van de producten en consumenten van voedsel. Met name is er kritiek op het feit van de verre afstand – soms duizenden kilometers – tussen de plaats waar het voedsel vandaan komt en waar het wordt geconsumeerd.

Carolyn Steel vroeg en er aandacht voor in haar boek The hungry city. Zij pleitte voor een voedselproductie dicht bij de stad waar producenten en consumenten weer een relatie met elkaar kregen. Kunstorganisatie Stroom in Den Haag wijdde er van 2009 tot 2012 zijn footprintprogramma aan. Zie: https://www.stroom.nl/activiteiten/manifestatie.php?m_id=3456445. Ik ben daar ook enige malen bij aanwezig geweest. 

Happyland Collectief

Wat is de footprint van een product dat duizenden kilometers ver weg geproduceerd wordt? Die vraag wordt ook gesteld door het Happyland Collectief dat zich bezighoudt met de voedselproductie in de stad Utrecht door de eeuwen heen. Ze verzorgen de Workshop Koningshof op de grens van Utrecht en Bunnik, waarbij ze in kassen proberen de stadsbewoners weer bij het voedselproces te betrekken en ook groenten uit vroeger tijden weer in ere willen herstellen. Ze betrekken de unieke Utrechtse grondstructuur die ontstond door de aanleg van de Hollandse Waterlinie met dijkjes en forten bij hun ideeën en hun praktijk.

In een recent document gaat het Happyland Collectief nader in op de ontwikkelingen door de eeuwen heen.

De Middeleeuwen

Ze beginnen in de Romeinse tijd – de Romeinen waren zeer actief in Utrecht en omgeving – en bekijken vervolgens de Middeleeuwen, wanneer er een Hoveniersgilde ontstaat die bezighoudt met het voeden van de monden van de Utrechters. 

“Ten tijde van de vroege Middeleeuwen telde Utrecht ongeveer 3000 bewoners. Deze woonden nog op natuurlijke of kunstmatige ophogingen in de stad. Kerken bezaten forse immuniteitsgebieden waarbinnen voedsel werd verbouwd voor de aanhangers van de betreffende kerken. Mogelijk is het hoveniersgilde ontstaan uit de kloostergangers die de omsloten tuinen van de kerken bijhielden.”

Tuinderijen lagen voornamelijk op de plek waar nu Pijlsweerd is gelegen. De hoveniers kregen een eigen parochie buiten de stadsmuur omdat ze lange dagen werkten en naar de kerk konden als het ze uitkwam. Het Jacobikerkhof was de hoveniersmarkt voor winkeliers. Venters kochten de groente in en verkochten het langs de deuren in de stad. Op de oevers van de Minstroom en Kromme Rijn verrezen bij Abstede hofsteden en landerijen toen het bevolkingsaantal in de stad toenam. Na het verlanden van de Kromme Rijn ontstonden er veel landgoederen en kastelen. Dit waren vaak goed beveiligde vestingen die geheel zelfvoorzienend waren. Veel kastelen hadden een eigen hovenier in dienst die de moestuin onderhield.

Naar grond buiten de singels

“Aanvankelijk hadden de Utrechtse hoveniers hun tuinen binnen de stadssingels. Uit de stadsarchieven blijkt dat er nog tot in de 17e en 18e eeuw hofsteden in de stad aanwezig waren. Hofsteden zijn boerderijen met bouwland, stallen en schuren. Door de enorme toename van het aantal inwoners moesten veel van deze hofsteden ruimte maken voor woningbouw binnen de singels. De hoveniers verhuisden daarom op de duur naar grond direct buiten de singels. Uiteraard kozen ze voor de voedselrijke drogere oeverwallen langs de Vecht en de Kromme Rijn. Een bijzondere groep bestond uit oud-katholieke hoveniers. Hun tuinderijen lagen vooral aan de noordkant van de stad bij de Bemuurde Weerd en aan de zuidzijde bij Tolsteeg en Abstede. In zekere zin legden de boerderijen en dijkwegen de basis voor de latere stadsuitbreidingen. “

Winterspinazie en rode kool

Al vanaf de middeleeuwen lagen er verspreid langs de Abstederdijk en de Zonstraat hovenierswoningen en hofsteden. De van oorsprong twaalfde-eeuwse Abstederdijk was een van de wegen van en naar de stad en maakte ook deel uit van een handelsroute die via de Vossegatsedijk om de veengebieden naar Zeist liep. Ook de Absteder Achterdijk (de huidige Notenbomenlaan) en het eerste deel van de Zonstraat zijn oude wegen die dateren uit de middeleeuwen. Tot het einde van de achttiende eeuw had Abstede de status van een voorstad. De hoveniers in Abstede waren voornamelijk gespecialiseerd in winterspinazie en rode kool. Naast het verbouwen van groente hielden ze, afhankelijk van het jaargetijde, ook enkele dieren. Zo kochten veel tuinders in de winter een aantal koeien en in het voorjaar een paar varkens. De koeien leverden melk voor het gezin en kregen veel te eten zodat ze met winst verkocht konden worden. De varkens zorgden voor de mest op het land en aten het groenteafval op.

Het Jacobikerkhof en de Mariaplaats

“Het land van een hovenier was verdeeld in die hoeken werden genoemd. Zo was er een hoek spinazie, een hoek sla etc. Al heel vroeg in de morgen begonnen de hoveniers met het snijden van de groenten, soms al om een of twee uur in de ochtend. Ze werden dan doorgaans geholpen door dagloners die voor zelf naar het werk te gaan, groenten raapten, bonden of in kisten stopten. De groenten werden ’s ochtends aan de deur verkocht. Hiervoor gebruikten de hoveniers een paarden- of hondenkar. Deze werd ook gebruikt om naar de hoveniersmarkt te gaan waar de winkeliers van de stad van vijf tot zeven uur ’s ochtends op het Jacobikerkhof en in de Waterstraat hun inkopen konden doen. Dit betekende dat de markt om vier uur in de ochtend al opgebouwd werd, tot groot verdriet van de omwonenden. Particulieren kwamen naar de vrijmarkt op de Mariaplaats, die duurde van acht uur ’s ochtends tot een uur ’s middags. Afstand was in deze tijd zeer bepalend voor de kwaliteit van de producten. Door de groente in de koele nacht te snijden, bleven ze langer goed.”

Vredenburg en Paardenveld

Nederland dreigde achter te blijven in de industrialisatie door het onsamenhangende spoornetwerk. Daarom greep de overheid rond 1860 in. Dit ging echter niet zonder problemen, er viel zelfs een kabinet over, maar uiteindelijk werd een wet aangenomen waardoor de overheid nieuwe spoorlijnen aan kon gaan leggen. De eerste spoorwegen waren bedoeld om goederen te vervoeren tussen de steden. Handel werd vanaf dit moment bepaald door een interregionale markt. Steden waren vanaf dit moment niet meer direct afhankelijk van hun ommeland. De eerste industriegebieden ontwikkelen zich rondom het Vredenburg en Paardenveld, waar de toenmalige veemarkt en groentemarkt gehouden werd. Met de aanleg van de spoorlijn naar Hilversum aan de noordzijde is duidelijk rekening gehouden met de hoveniers rondom Pijlsweerd.

Naar de Croeselaan

“Utrecht groeide in 1880 naar een stad met 68.000 inwoners. Al deze monden moesten door de hoveniers gevuld worden met groente en fruit. Het aantal tuinderijen om de stad was daarom ook ontzettend gegroeid. Alleen al Abstede telde al 175 tuinderijen. Omdat de afzetmarkt groeide, gingen de meeste tuinders vanaf 1902 naar de groente- en fruitveiling aan het Paardenveld. Deze veiling verhuisde in 1928 weer naar de Croeselaan. Voor de hoveniers was er een tijd van schaalvergroting aangebroken. Nieuw werkgerei, grotere kavels, het verhogen van de productie door kunstmest en secreetmest brachten grote veranderingen. Door de handel werd afstand groter waardoor men na ging denken over conservering van de producten.”

Volkstuincomplexen

De uitbreidingen geschiedden niet volgens een bepaald plan. Het enige waar speculanten rekening mee moesten houden waren de perceelgrenzen. Omdat het naburige land vaak nog in gebruik was door hoveniers ontstonden er vreemde sprongen en rare hoeken in het stratenpatroon. Dit is nog steeds te zien in Abstederdijk. De kwaliteit van de woningen was vaak slecht. Ze waren klein, dicht op elkaar gebouwd en de sanitaire voorzieningen stelden niets voor. Deze bestonden vaak uit een kraan in de keuken en een droogcloset in de tuin. Door het vertrek van de hoveniers kwam veel open land vrij te liggen. Met de aanleg van dwarsstraten en het spoor werden veel open aaneengesloten terreinen opgesplitst en bebouwd. Abstede werd van hoveniersgebied steeds meer een arbeiderswijk. De komst van slagers, kleermakers en andere gilden bracht ook nieuwe voorzieningen met zich mee. Er werden winkels en scholen, maar ook fabrieken en wasserijen gebouwd. Op overgebleven stroken langs de Minstroom zijn nog veel volkstuincomplexen te vinden die verwijzen naar het agrarische verleden van deze wijk. Na Wittevrouwen is Pijlsweerd geheel volgebouwd. Het stadsbestuur heeft de herkomst van het gebied in de straatnamen geintegreerd. Hier vinden we de Hovenierstraat, Van Zijlstraat, Jongeriusstraat etc. terug. Ook vinden we hier langs de Kruisweg en Kerkweg nog een aantal boerderijen en hovenierswoningen en verspringingen in het stratenpatroon, stedenbouwkundige elementen die de woonwijken een landelijke, informele uitstraling geven.    

Jongerius, Agterberg en Van Zijl

“Plannen van de Gemeente Utrecht om de binnenstad beter bereikbaar te maken, zouden grote veranderingen meebrengen voor Abstede. Door de onzekerheid over de toekomst van het gebied trokken veel gezinnen en hoveniers weg, waardoor ook de middenstand en veel woningen verdwenen. Omdat veel woningen gesloopt zouden worden, werd weinig aan onderhoud gedaan. De kwaliteit van het gebied ging achteruit. Een van de laatste hoveniers die vertrok was A.J. Emmelot, die een kwekerij had aan de Minkade. Hij vertrok naar de Gageldijk waar het bedrijf zich ontwikkelde tot tuincentrum. In Abstede wonen nog veel oude hoveniers die op leeftijd zijn geraakt. Veel familieleden van Jongerius, Agterberg en Van Zijl wonen nog aan de Abstededijk, Zonstraat en Notenbomenlaan.”

Het Merwedekanaal werd in 1892 geopend, maar het duurde nog dertig jaar voordat het terrein tussen de Croeselaan en dit kanaal bestemd was voor woningbouw en als havenontwikkeling. De Veiling- en Veemarkthaven in deze buurt waren oorspronkelijk ruim vier keer zo groot als de huidige ‘historische haven’ van de buurt Parkhaven. Ze werden aangelegd nadat aan het begin van de 20e eeuw de groenteveiling en veemarkten de Utrechtse binnenstad waren ontgroeid. De veemarkt verhuisde in 1928 van het Vredenburg naar het nieuwe haventerrein ten westen van de Croeselaan. In 1932 volgde de groentemarkt. Uit deze tijd dateert de monumentale voorgevel van het Gebouw voor Groenten- en Fruitveilingen, thans de sporthal ‘De Halter’ aan het Heycopplein.

Bieden via de klok

“Voor de hoveniers was er een nieuwe tijd van schaalvergroting aangebroken. Grotere vrachten konden worden aangeleverd en alles ging mechanischer door de komst van de vrachtwagens en nieuwe landbouwwerktuigen. Na de veiling werden veel producten op boten geladen en naar andere plaatsen zoals Amsterdam, vervoerd. Het leven de hoveniers in Utrecht zag er echter wel vrijwel hetzelfde uit. Vroeg in de morgen werden de groenten gestoken die door dagloners voor een gulden per uur in de kisten werden geraapt. Daarna werden de vrachten naar de veiling gereden. Dit deden de hoveniers om de beurt om ‘uit te rusten’ van het harde werken. Op de veiling werden de groenten bij elkaar in een van de twee hallen gezet, waarna mensen er op konden bieden via de klok. Intussen werd op het land de tweede en derde vracht voorbereid. Veel zekerheid over de prijs hadden de hoveniers niet meer. Soms kwamen enorme vrachten andijvie binnen die vervolgens niets opleverden. Vaak kregen ze veel geld voor producten die extreme weersomstandigheden hadden overleefd. Dan was dezelfde oogst bij andere hoveniers ‘mislukt’ en was de vraagprijs hoger. Vaak kwam dit echter niet voor.”

De komst van groothandels

De komst van de veiling en veemarkthallen brachten nieuwe bedrijvigheid met zich mee. Rondom de ingang van de veiling ontstonden een aantal ‘voorlopers’ van de groothandel. Kooplieden kochten de groente en het fruit op om hier aan winkeliers door te verkopen. De Croeselaan barstte van de groothandels. In zekere zin waren dit de oude venters die groente opkochten aan de markt en daarna zelf de groente aan de deur gingen verkopen. Deze groep specialiseerde zich langzaamaan in de bewerking en conservering van groente. Naast de komst van de groothandel trok de veiling ook bijzondere industrie aan. Een soepfabriek werd op het terrein gebouwd. Deze fabriek kon goedkoop veel groente opkopen en bijna direct verwerken in de productie van groente- en tomatensoep. De veiling aan de Croeselaan heeft ook hier vele sporen nagelaten, die vandaag de dag nog terug te vinden zijn. Zo is de ingang van de veiling nog duidelijk herkenbaar en de gevel van het gebouw voor groente en fruitveiling nog aanwezig. Het oude veilingterrein is nu een woonwijk geworden.

“Samen met de opkomst van de groothandel, ontstonden er de eerste supermarkten. Deze kochten de groente vaak zelf op de veiling of via de groothandel en konden dit zo vrij goedkoop aanbieden in de winkel. Veel winkels als Jumbo en Albert Heijn stammen uit deze tijd. Veel de stedeling veranderde veel omtrent het voedsel. Het proces van groenteteelt werd uit het oog verloren. Direct contact met de hoveniers was verleden tijd. Door de nieuwe groenteveiling buiten de stad kregen de groothandels een schakelpositie tussen de consument en de hovenier. Ook de groentemarkt verdween uit het straatbeeld. Om te voorkomen dat de markt verstoord werd, mochten de hoveniers niet zelf een groentewinkel hebben. Door deze wet ontstond er een zwart circuit van groenteteelt, waarbij de hoveniers deals sloten met kooplieden uit andere steden als Wijk bij Duurstede en midden in de nacht de groente zelf verhandelden. Ook hadden ze vaak een illegale winkel aan huis. Het voordeel was dat de hoveniers zelf de prijs konden bepalen en de groente toch vaak verser was dan dat van de veiling.”

Tele-veilen

Rond 1920 ging de veiling starten met het tele-veilen. Dit betekende dat de klokken van meerdere veilingen als Utrecht, Breda en Barendrecht elektronisch aan elkaar gekoppeld werden. Hierdoor konden kopers grotere hoeveelheden groente uit verschillende steden opkopen om later te vervoeren naar fabrieken. De hoveniers kregen hierdoor interregionale concurrentie van hoveniers uit steden waar bijvoorbeeld grotere landbouwarealen lagen of waar modernere landbouwtechnieken toegepast werden. Noodgedwongen moesten de hoveniers investeren in de productiesnelheid. Veel hoveniers konden de markt niet bijbenen en moesten stoppen. Naast het tele-veilen eiste de veiling dat er op een bepaald tijdstip een soort groente aangeleverd moest worden. Zo konden er nog grotere hoeveelheden van dezelfde groente worden verhandeld. De prijzen kelderden en dit systeem paste totaal niet in het tijdsschema van de hovenier, die zijn teelt en oogst moest gaan aanpassen aan het ritme van de veiling. Daarbij werd geacht dat de hovenier wachtte tot de groente verhandeld was, wat een tijdje duurde. 

De jaren negentig

“Dat er weinig informatie over de veiling Laagraven bekend is, zegt veel over de gebroken relatie tussen de stad en de voedselproductie. De groenteveiling aan de kavelswade was een eenvoudige grotere veiling, die dit keer gekoppeld was aan de A12 en het Amsterdam-Rijnkanaal. De Hoveniers leverden groente en fruit aan vanuit voornamelijk Vleuten, De Meern, Harmelen en Vianen. Dorpen rondom de stad Utrecht die goed verbonden waren met de snelweg. De groenteveiling Laagraven was een totaal andere veiling in sfeer en karakter. In de architectuur van de loodsen was weinig geinvesteerd, wat een teken geeft van een verloren trots om als stad om een veiling te hebben. Ook de hoveniers zelf misten de ‘gezelligheid’ van de veiling. De veiling op de Croeslaan was in zekere zin nog een boerenclub. Bij Laagraven kwamen de hoveniers elkaar amper tegen.”

De komst van Greenery

De Greenery is de merknaam van de marketingbedrijven van de Cooperatie Voedings Tuinbouw Nederland U.A. (VTN), een van de grote, internationaal opererende, groente-, fruit- en paddenstoelen afzetorganisaties in Europa. De omzet bedraagt ongeveer 1,7 miljard euro. The Greenery is ontstaan toen de meeste kleinere veilingen, waaronder veiling Utrecht, in 1997 fuseerden tot VTN. In Nederland zijn diverse vestigingen, onder andere in Barendrecht, Breda, Bleiswijk, Maasland, Nieuw-Amsterdam, Zaltbommel en Venlo. De hoveniers in Utrecht werden door de fusie geacht om de groente naar de veiling in Barendrecht te brengen. Dit was funest voor veel overgebleven hoveniers. Ook werden de hoveniers verplicht al hun producten te voorzien van uitvoerige sorteringsvoorschriften en kwaliteitseisen. Dit vroeg om een enorme investering. Door import wordt het jaarrond een volledig assortiment groente, fruit en paddenstoelen aan het grootwinkelbedrijf in Europa, Noord-Amerika en het Verre Oosten geleverd. Andere belangrijke doelgroepen zijn groothandel, catering en verwerkende industrie.

Klaas Le Maitre

“Na de fusie van de Greenery en het in onbruik raken van de veiling in 1997 bleven veel groothandels op deze plek zitten. Le Maitre, Albert Heijn BV en Makro zijn groothandels die nog steeds op het bedrijventerrein gevestigd zijn. Veel van deze groothandelaren vinden hun oorsprong bij de veiling van de Croeselaan en zelfs daarvoor bij de venters, zoals het bedrijf Le Maitre. Le Maitre BV was een regionale groothandel in aardappelen, groente en fruit. Het bedrijf werd in 1904 opgericht door Klaas Le Maitre. Vanuit Wijk C in Utrecht verhuisde het naar de nieuwe groentemarkt op de Croeselaan, waar Nico Le Maitre het bedrijf voortzette en op zijn beurt weer in 1969 verplaatste naar het groothandelscentrum Laagraven. Het bedrijf verkoopt nu voorverpakte en gesneden groente.”

In Utrecht-Oost zijn rond deze tijd de laatst overgebleven hoveniers te vinden. Deze hoveniers dragen de namen Agterberg, de Kraaij en Jongerius. Velen van deze tuinders raken op leeftijd en vinden geen opvolgers. Ze houden een groentewinkeltje aan huis waar steeds minder stedelingen gebruik van maken. Belangrijke traditionele soorten als de Sint-Jansui worden niet meer gekweekt of bewaard voor de teelt. Dit is een van de vele traditionele Utrechtse rassen die aan het verdwijnen is.   

De situatie vanaf 2012

Happyland Collective: “Vanaf het moment dat de groentehandel uit het zicht en uit de directe leefomgeving van de stedeling is gehaald, zien we een groeiende breuk ontstaan tussen de stad en het voedsel. Door deze breuk is het voor de laatste generatie lastig om een relatie op te bouwen met voedsel. Van belang is dat voedsel dichter bij de mensen wordt gebracht. Stadslandbouw is om die reden van enorm belang voor de ontwikkeling van kennis op dit gebied. Een groot deel van de nieuwe generatie weet namelijk niet meer hoe een andijvie eruit ziet, laat staan hoe het gekweekt en geoogst wordt en in welk seizoen.”

Ze zien een herwaardering voor lokaal geproduceerd voedsel. “Veel restaurants in Utrecht-oost sluiten overeenkomsten met groenteboeren om verse seizoensgebonden producten te leveren. Op diverse punten kan men voedseltassen kopen, met daarin producten van het seizoen, zoals bij ‘De Moestuin’ Maarschalkerweerd en ‘Amelishof’.”

De langzame tred van de seizoenen

Arbeidsintegratieprojecten worden gekoppeld aan het hovenierschap op verschillende plekken in de regio. “Enkele steden sluiten zich aan bij de Slow-city, waarbij de levensstijl wordt afgestemd op de waarde van streekproducten, vakkennis en cultuurhistorie en waar mensen de langzame tred van de seizoenen nog herkennen en authentieke producten, smaak, gezondheid en spontane gewoonten eerbiedigen. De ‘Slow City’ beweging is een tool die aanzet tot een andere manier van denken over de relatie tussen de stad en voedsel. Ze denken dat zelfs een stad als Utrecht, met een inwoneraantal van 300.000 mensen, zijn voedselpatroon kan veranderen.”

“Om dit te bereiken moeten alle neuzen dezelfde kant op, zowel bij de inwoners als bij het stadsbestuur. Initiatieven van onderaf kunnen worden gesteund, terwijl het gemeentebestuur via wetgeving de moderne voedselindustrie kan bedwingen. Happyland Collective neemt alvast initiatief door het concept ‘Workshop Koningshof’ uit te werken.”  

https://www.happyland.nl/
https://www.koningshof-utrecht.nl/workshop-fermenteren-kan-je-leren__trashed-2/
https://www.koningshof-utrecht.nl/blog/